Pagina's

donderdag 29 mei 2014

Prinsesje Annabel

Er was eens een prinsesje en ze heette Annabel;
nu moetje heel goed luisteren, naar wat ikje vertel:
Ze had twee blonde vlechtjes en een kroon van diamant
en ‘s avonds ging ze slapen in haar gouden ledikant,
de koning en de koningin vertelden dan verhaaltjes,
ze werd in slaap gezongen door twee witte nachtegaaltjes,
en meestal was ze lief en zoet, en ieder die haar zag,
hield heel verschrik’lijk veel van haar… maar niet op zaterdag,
want telkens, iedere week opnieuw, op zaterdag, let wel,
dan was ze boos en prikkelbaar, die kleine Annabel,
dan sloeg ze alles kort en klein, dan ging ze aan het schreeuwen
en maakte net zoveel kabaal als zesentwintig leeuwen!
De koning en de koningin die zeiden op een keer:
Nu moeten we er iets aan doen, nu gaat het heus niet meer!
Ze heeft wéér zes lakeien in hun grote teen gebeten!
We zullen vragen of Merijn, de tovenaar, komt eten!
De tovenaar Merijn, dat was een grote tovenaar,
hij zou ‘t prinsesje wel genezen van haar boosheid, reken maar!
Daar kwam hij dan, op zaterdag, daar stond hij op de stop,
ze gingen prompt aan tafel, bij de vermicellisoep.
Wel, zei de tovenaar Merijn, hoe maakt u het, prinses?
Hoe gaat het met de aardrijkskunde? En pianoles?
‘t Prinsesje keek hem even aan. Ze nam haar lepel beet
en smeet hem met de soep naar ‘t hoofd. De soep was gloeiend heet!
Die arme tovenaar! Zijn haar zat vol met vermicel.
Zo’n kribbekat, zo’n akelige, stoute Annabel!
De koning en de koningin, met tranen in hun ogen,
probeerden om de tovenaar voorzichtig af te drogen.
U ziet het zelf! zo zeiden ze, het is weer zaterdag!
Dan is ze toch zo prikkelbaar, ons dochtertje, ach, ach!
Wat prikkelbaar! zo bulderde de tovenaar Merijn,
ik zal dat snertkind wel eens leren, prikkelbaar te zijn!
Hij zwaaide met zijn toverstaf, en toen opeens, jawel
daar zat een heel klein egeltje, in plaats van Annabel.
De tovenaar verdween door ‘t raam, datzelfde ogenblik,
de koning en de koningin, die gilden van de schrik,
ze huilden en hun tranen vielen in de gouden borden,
nu was hun kleine Annabel een egeltje geworden!
Een egel vol met stekeltjes, wie had dat ooit gedacht,
maar net als and’re avonden werd zij naar bed gebracht,
de koning en de koningin vertelden haar verhaaltjes
en net als anders zaten daar de witte nachtegaaltjes…
Wat deed de tovenaar Merijn? Hij ging naar zijn kasteel,
hij kroop in ‘t bad, hij nam een boender met een lange steel,
en waste al de vermicellislierten van zijn hoofd,
en gek, toen hij weer schoon was, was zijn woede ook gedoofd!
Ik ben wel heel erg hard geweest, zo dacht hij bij zichzelf,
kan ik er nu nog wat aan doen? Het is al kwart voor elf!
Hij deed zijn grote vleugels aan, en zo, dat niemand ‘t zag,
vloog hij terug en kwam bij ‘t raam, waar ‘t egelkindje lag.
En ‘s morgens vroeg, wie lag daar in haar gouden ledikant,
met kleine blonde vlechtjes en een kroon van diamant?
Dat was geen egelkindje, maar ‘t prinsesje Annabel,
de koning en de koningin, die zeiden: Wel, wel, wel!!!!!
En ‘t mooiste is: ‘t prinsesje is nu altijd even lief.
En zaterdags? Dan ook. Wat zeg je daarvan? Alsjeblief!

Annie M.G. Schmidt

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen